Hij leve hoog, hij leve hoog...
Hoog in de bergen is de lucht ijler en de zuurstof schaarser.
Duursporters kunnen er hun voordeel mee doen in een hoogtestage. Over het hoe
en wat ervan zijn de meningen verdeeld. Over Ôlive high, train highÕ, Ôlive
high, train lowÕ en andere hoogteperikelen.
Hijg...puf... Ik ben
nauwelijks een half uurtje aan het lopen, maar ik voel me nu al uitgeput. En ik
loop niet eens hard! Als ik mijn duurloop na een uurtje weer afmaak voel ik me
de rest van de dag alsof ik net een marathon achter de rug heb. Ik schrik er
zelf van. Toch is mijn vermoeidheid niet zo vreemd. Ik train op moment namelijk
in het prachtige Guatemala, op zoÕn 1500 meter hoogte. En hoewel het verschil
met zeeniveau niet echt uit de omgeving is te peilen, voelen mijn lichaam en
longen het wel degelijk. Zelfs op deze bescheiden hoogte zijn de fysieke
effecten van de bergen onmiskenbaar. Hoe werkt die invloed precies?
Ons lichaam en met
name ons bloed reageert sterk op hoogteverschillen. Hoe hoger je komt, des te minder
zuurstof er in de lucht zit. De nieren reageren hierop door meer
erythropoietine, oftewel EPO aan te maken – de stof die zijn
naamsbekendheid vooral dankt aan de vele dopingaffaires in de wielersport. EPO
is echter geen middeltje uit een laboratorium maar een volkomen lichaamseigen
stof, die ervoor zorgt dat ons lichaam meer rode bloedcellen gaat aanmaken. Hoe
meer rode bloedcellen, des te meer zuurstof er naar de spieren kan worden
getransporteerd. Daar is het in duursporten zoals wielrennen en hardlopen
allemaal om te doen, want zuurstof is pure spierbenzine. De sportwetenschap
heeft dan ook het nodige onderzoek verricht om te ontdekken hoe hoogte kan
worden ingezet om de prestaties te verbeteren.
De kiem voor dit
onderzoek werd gelegd na de Olympische Spelen van 1968 in Mexico Stad. Deze
Spelen werden gehouden op een hoogte van 2300 meter, een gegeven dat nogal wat
invloed had op de resultaten in de atletieknummers, zowel in positieve als in
negatieve zin. De explosieve onderdelen zoals het sprinten en het verspringen
profiteerden van de grote hoogte, vanwege het feit dat de luchtweerstand op die
hoogte door de ijlere lucht een stuk lager was. Hierdoor kon verspringer Bob
Beamon zijn bovenaardse afstand van 8 meter 90 springen, een verbetering van het
toenmalige wereldrecord met maar liefst 56 centimeter. Ook bij de
sprintonderdelen werden louter wereldrecords gelopen. Daarentegen noteerden de
atleten in de midden- en langeafstandsnummers, zoals de 5 en 10 kilometer en de
marathon, veel langzamere tijden dan voor die tijd normaal was. Hier drukte het
lage zuurstofgehalte in de lucht duidelijk zwaar op de prestaties en speelde de
luchtweerstand geen rol.
De wetenschap wilde
er meer van weten en tal van onderzoeken volgden. Helaas verschilden ze nogal van
aanpak en methoden, waardoor ook de resultaten zo sterk uiteenliepen dat er
moeilijk eenduidige uitspraken konden worden gedaan. Moeten atleten de bergen
in om beter te worden? Ja en nee, zeiden de wetenschappers. Het ligt allemaal
aan de hoogte, de tijdsduur van de trainingsstage, de intensiteit van de
training en de reactie van de individuele atleet. Het bleek dat sommige atleten
veel baat hadden bij hoogtetraining, terwijl anderen er hoegenaamd niets van
merkten, of zelfs slechter gingen presteren. Hoe die verschillen moeten worden
verklaard is nog steeds een wetenschappelijk raadsel.
De moeilijkheid om
eenduidige uitspraken te doen ligt hem onder meer in het feit dat er aan
trainen op hoogte zowel voordelen als risicoÕs kleven. Onder de voordelen vallen
de al genoemde verhoogde concentratie van rode bloedcellen en het daaruit
voortvloeiende effectievere zuurstoftransport. Daarnaast vinden er na enkele
weken op hoogte ook subtiele aanpassingen plaats in de spieren. De zogenaamde
buffercapaciteit van de spieren wordt groter, wat betekent dat ze bij
inspanning minder melkzuur produceren. Verzuurde spieren leiden tot langzamere
snelheden, dus hoe minder melkzuur er wordt aangemaakt des te langer de atleet
zijn eigen topsnelheid kan volhouden.
Maar er zijn ook
negatieve effecten. Zo is er het gevaar van hoogteziekte, dat met name optreedt
op hoogtes vanaf 3000 meter. Dit is ook de reden dat 2000-2500 meter als ideale
trainingshoogte wordt beschouwd. Daarnaast bestaat er het gevaar dat er teveel
rode bloedcellen worden aangemaakt, waardoor het bloed te stroperig wordt en
niet goed meer circuleert. In de wielersport zijn op die manier de nodige
dopingsdoden te betreuren geweest, renners die zichzelf met een te grote dosis
EPO hadden ingespoten waardoor hun bloed ging te sterk ging klonteren en niet
meer afdoende rondgepompt kon worden. Niet te lang op hoogte trainen en zeker
niet te hoog, is dan ook het devies. Tenslotte is er nog het zogenaamde
ÔdetrainingseffectÕ. Aangezien er op hoogte minder zuurstof in de lucht zit kan
er ook minder hard worden getraind. Topfitte atleten zullen gedwongen zijn het
rustiger aan te doen. En omdat een hoogtestage meestal zoÕn drie tot vier weken
duurt, zullen ze geheid wat van hun scherpte en vorm verliezen. Vandaar dat het
voordeel van een hoogtestage zich doorgaans zoÕn drie weken na terugkomst op
zeeniveau terugbetaalt, als de atleet weer de tijd heeft gehad om zichzelf weer
in topvorm te trainen.
Het is dus de vraag
in hoeverre de voordelen opwegen tegen de nadelen. Soms slaat de balans de ene
kant op en wint het rode bloedcellen voordeel het van het detrainigseffect.
Soms is het net andersom.
Live high, train
low
In de jaren negentig
vond er een doorbraak plaats in het wetenschappelijk onderzoek naar
hoogtetraining, die veel invloed had op de sportwereld. Voorheen spitste het
onderzoek zich toe op het principe Ôlive high, train highÕ. De atleten trokken
voor een paar weken de bergen in, trainden daar op hoogte en kwamen na een week
of vier weer terug naar zeeniveau. Het was dan altijd afwachten of de balans
naar de positieve of de negatieve kant zou doorslaan. De Amerikaanse
sportwetenschappers Ben Levine en Jim Stray-Gundersen stelden een model op
waarmee dat probleem werd ondervangen. Ze noemden het Ôlive high, train lowÕ.
Het idee is dat atleten hun (zware) trainingen op zeeniveau uitvoeren en de
rest van de tijd zoveel mogelijk op hoogte doorbrengen. Zo oogstten ze het
voordeel van hun zuurstofrijkere bloed, zonder dat hun trainingsarbeid
daaronder hoefde te lijden. De Amerikanen testten hun theorie met succes uit op
een groep hardlopers die op zeeniveau trainden en in hun vrije uren zoveel
mogelijk tijd doorbrachten in een zogenaamd ÔstikstofhuisÕ waar de
luchtomstandigheden op 2500 meter werden nagebootst. Deze hardlopers
presteerden beduidend beter dan een groep atleten die volgens het Ôlive high,
train highÕ model hadden getraind. Beide groepen deden het overigens beter dan
de controlegroep die alleen op zeeniveau had geleefd en getraind.
Het onderzoek van
Levine en Stray-Gunderson werd in 1997 gepubliceerd en deed heel wat stof
opwaaien. Het nieuwe Ôlive high, train lowÕ model werd in brede kring omarmd.
Fabrikanten van stikstoftenten en stikstofmaskers schoten als paddestoelen uit
de grond. Indirect inspireerde de ontwikkeling ook lange afstandszwemmer
Maarten van der Weijden, die tijdens zijn voorbereiding op de Olympische Spelen
van 2008 zes maanden lang bijna al zijn tijd in zoÕn stikstoftentje doorbracht.
Hij kwam er alleen uit om boodschappen te doen en zijn trainingen af te werken.
Erg enerverend is zoÕn leven misschien niet, maar het leverde hem wel Olympisch
goud op.
Live high, train
high
Toch zijn er nog
genoeg atleten die trainen volgens het Ôlive high, train highÕ model. Het heeft
de Keniase atleten uit het Rifgebergte (2000 meter hoogte) in ieder geval geen
windeieren gelegd. Vaak wordt hun levens- en trainingsstijl op hoogte als
verklaring gegeven voor hun successen in het lange afstandslopen. Ook andere
topatleten zoeken regelmatig de bergen op. Naast Kenia, zijn Zwitserland,
Mexico en de Amerikaanse stad Boulder (Colorado) voor veel atleten geliefde
locaties. En zelfs al blijkt het Ôlive high, train lowÕ model beter te werken,
dan nog zullen velen de voorkeur geven aan een Ôlive high, train highÕ stage. Een
uitzicht op een prachtig berglandschap is nu eenmaal een stuk inspirerende dan
de steriele binnenkant van een stikstoftentje.
Wat is nu het ultieme
recept voor zoÕn hoogtetraining? Er is te weinig wetenschappelijk onderzoek
gedaan om daar een sluitend antwoord op te geven. Wel zijn de meeste topcoaches
het erover eens dat een ideale hoogtestage zoÕn drie tot vier weken moet duren.
In die periode bereikt de concentratie rode bloedcellen een maximum. Zoals
eerder aangegeven wordt een hoogte tussen de 2000 en 2500 als ideaal gezien.
Daarboven is de lucht zo ijl dat het detrainingseffect en het risico op
hoogteziekte te groot worden. Na terugkeer geldt dat het lichaam zich ook weer
moet aanpassen aan de rijkere lucht op zeeniveau. Er wordt vaak gesproken van
een Òslump periodÓ van 5 tot 7 dagen na terugkeer op zeeniveau, een periode van
vermoeidheid waarbij het lichaam aan het herstellen is. Aangeraden wordt om de
hoogtestage zo te plannen dat je drie weken v——r een belangrijke wedstrijd weer
terugkeert naar zeeniveau. Na drie weken is je lichaam weer volledig hersteld
en stroomt ook het zuurstofrijke bloed nog steeds door je aderen. Knallen dus!
Tenslotte, om grote
teleurstellingen te voorkomen nog dit feit: 30 tot 40 procent van alle mensen
blijkt in het geheel niet te reageren op een hoogtestage. Het waarom hiervan is
nog altijd een mysterie, ook voor wetenschappers. Goed om even bij stil te
staan voordat je die vlucht naar Kenia boekt.
© Hidde Tangerman,
2010