De handrem erop
In de duursport is het een bekend gegeven om de trainingsarbeid vlak
v覧r een wedstrijd terug te brengen. In vakjargon wordt dit ヤtaperenユ genoemd.
In de jaren ユ60 waren het Nederlandse zwemmers die dit kunstje voor het eerst
gestructureerd toepasten – en met succes. Toch blijft taperen een beetje
intu付ie en een beetje natte vingerwerk. メHet zit deels tussen de oren.モ
Zoals veel grote
doorbraken op sportgebied is taperen eigenlijk per toeval ontdekt. Een paar
weken v覧r het EK atletiek in 1950 at de legendarische hardloper Emil Zatopek,
bijgenaamd ヤde Tsjechische locomotiefユ en de beste loper van zijn tijd, een
stuk bedorven ganzenvlees. Hij liep een ernstige voedselvergiftiging op en lag
de dagen tot aan het kampioenschap aan een ziekenhuisbed gekluisterd. Twee
dagen v覧r de race werd hij pas ontslagen.
Zatopek maakte zich
grote zorgen over zijn vorm, hij had immers twee weken niet kunnen trainen.
Maar tot verbijstering van zichzelf en zijn collega atleten liep hij op het EK
de sterren van de hemel: met overmacht won hij zowel de vijf als de tien
kilometer. Na afloop krabde Zatopek en diens coach zichzelf eens goed over het
hoofd. De algemene trainingsopvatting van die tijd was altijd geweest: hoe meer
hoe beter. Door Zatopekユs bizarre was er in die filosofie ervaring een
onherstelbaar scheurtje ontstaan. Zou het misschien toch goed zijn om af en toe
eens rust te nemen, met name voor een belangrijke wedstrijd? Het idee van
taperen, toen al een paar jaar een revolutionaire trainingsmethode in de
zwemwereld, deed nu ook zijn intrede in de atletiek.
Nederlandse
zwemmers
Schaatskampioene
Yvonne van Gennep vatte ooit haar trainingscredo als volgt samen: メKeihard
trainen en twee weken v覧r de wedstrijd de handrem erop.モ Die handrem is nu
precies wat tapering inhoudt. Taperen komt van het Engelse werkwoord to
taper dat letterlijk ヤverminderenユ of ヤkleiner wordenユ
betekent. In de sport betekent taperen dan ook het planmatig en stapsgewijs
reduceren van de trainingsarbeid. Bewust minder trainen dus.
Het idee van taperen
werd in 1947 voor het eerst toegepast door de Australische zwemcoach Forbes
Carlile, maar pas in 1962 maakte zijn methode een internationaal doorbraak.
Carlile werd toen door de Nederlandse zwembond aangesteld als hoofdcoach van de
nationale ploeg ter voorbereiding op het EK zwemmen van 1962 in Leipzig. Hij
adviseerde de Nederlandse zwemmers om de laatste drie weken voor aanvang van
het kampioenschap beduidend rustiger te trainen. Het was een revolutionair
advies, want men was gewend om ten alle tijden zo hard mogelijk te trainen.
Carlileユs advies legde de ploeg geen windeieren: bijna alle zwemmers zwommen
een persoonlijk record en de ploeg haalde een recordoogst aan medailles op bij
het EK. In 1964 herhaalde Carlile zijn succes als bondscoach van Nederland
tijdens de Olympische Spelen in Tokyo. Erica Terpstra was daar met haar
zilveren medaille 試n van zijn succesvolle pupillen.
Wetenschappelijk
onderzoek
Het wetenschappelijk
onderzoek naar het effect van taperen is een stuk jonger dan de praktijk. Pas
in 1992 gingen bewegingswetenschappers zich ermee bezighouden en werd ook in
het laboratorium aangetoond dat taperen prestatieverbeterend werkt.
Hoe het effect ervan
precies is te verklaren is niet geheel duidelijk. Door bewust minder te trainen
krijgen de spieren de tijd om optimaal te herstellen van de zware trainingen,
zodat de sporter geheel uitgerust en in topvorm aan de wedstrijd begint, maar
een puur fysiologische factor was daarbij niet aan te wijzen. Sommige wetenschappers
denken dan ook dat het effect van taperen verklaard moet worden uit een
verbetering in de structuur van de hersencellen.
Uit de onderzoeken
blijkt dat het subtiele herstelproces alleen optreedt als de training vrij
drastisch wordt gereduceerd. Voor het grootste effect moet die reductie
bovendien exponentieel toenemen, dus de eerste drie dagen wordt er bijvoorbeeld
50% minder getraind en de drie dagen erna 75% minder. Een juiste ヤtaperユ brengt
een atleet zo naar het niveau waarop hij optimaal kan presteren. ヤPiekenユ heet
dat in sportersjargon.
Nagenoeg alle
sportwetenschappers zijn het erover eens dat met name het trainingsvolume (het aantal wekelijkse trainingskilometers) dient te worden
teruggebracht. De trainingsintensiteit (het tempo
waarin je die kilometers aflegt) moet daarbij juist worden gehandhaafd, of
zelfs nog worden vergroot. De trainingsfrequentie
(het aantal trainingen per week) mag 20% tot 50% afnemen, maar niet meer. Samengevat:
bij het taperen loop, fiets of zwem je minder kilometers in iets minder
trainingen per week, maar de kilometers die je aflegt gaan in hetzelfde tempo
als normaal en af en toe zelfs iets sneller, het liefst in een
intervaltraining. Zo worden lichaam en spieren in een relatief korte periode op
scherp gesteld.
Details
Over de grote lijnen
van het taperingsproces bestaat onder coaches en wetenschappers redelijk wat
consensus. Maar zodra het over de details gaat zijn de meningen verdeeld.
Vooral over de duur van de tapering wordt verschillend gedacht. Over het algemeen
geldt: hoe langer de wedstrijd, des te langer de taperingsperiode. Maar als het
bijvoorbeeld gaat over het precieze aantal weken taperen voor de
(hardloop)marathon zijn de meningen verdeeld. De gangbare opvatting is dat tien
dagen tot twee weken taperen ruim voldoende zijn. Toch houdt een aantal
wetenschappers vol dat er minstens drie of vier weken getaperd zou moeten
worden. Beide kampen schermen met resultaten uit wetenschappelijk onderzoek,
maar een doorslaggevend bewijs voor 試n van beide standpunten is er vooralsnog
niet.
Waarschijnlijk heeft dat te maken met het feit dat taperen toch een individuele aangelegenheid is. メHet zit deels tussen de oren,モ verklaart Bram Wassenaar, bondscoach van de Nederlandse lange afstandslopers. メEr zijn atleten die puur voor het zelfvertrouwen twee dagen voor de wedstrijd nog vijf of zes keer 試n minuut op wedstrijdtempo lopen, terwijl anderen dan juist rust nodig hebben. Het verschilt per atleet.モ Ook Wassenaar stemt de tapering af op de individuele sporter. メHet verschilt natuurlijk of je een marathon loopt of een 1500 meter. Trainingswetenschappers zijn het erover eens dat je sowieso moet taperen, alleen de manier waarop vult iedereen weer anders in. Dat is een kwestie van ervaring.モ
Schemaユs
Er bestaan geen algemene schemaユs voor tapering en ook dit artikel onthoudt zich er wijselijk van. Taperen is iets dat je al experimenterend moet leren. Ben jij iemand die bang is zijn vorm te verliezen als je minder gaat trainen, dan is een kortere taperingsperiode aan te bevelen. Ook als je een goed getrainde atleet bent kun je vaak met korter taperen toe. Maar loop je je eerste marathon en heb je daar een goed aantal maanden voor getraind, dan kan het verstandig zijn om al drie of vier weken van tevoren te beginnen met afbouwen.
De bekende Zuid-Afrikaanse bewegingswetenschapper Tim Noakes geeft het volgende advies: メAls je besluit om te gaan taperen, doe dan het minimum aan training dat je geest je toestaat, maar doe dat minimum aan training wel in een hoog tempo.モ Ook hij raadt sporters aan te experimenteren met verschillende taperingsprogrammaユs om te ontdekken welk programma het beste op de individuele behoefte aansluit.
Als voorbeeld van een taperingsschema voor de marathon zegt Bram Wassenaar dat een atleet die doorgaans 140 kilometer in de week loopt, de week v覧r de marathon zijn training terugbrengt tot 100 kilometer: een reductie van 29%. Dat advies geldt echter voor de zeer goed getrainde atleet, bij wie subtiele aanpassingen in de trainingen tot grotere resultaten leiden.
Voor de mindere goden kan het goed zijn om het trainingsvolume sterker terug te brengen. Sportwetenschappers raden een geleidelijke reductie aan beginnend bij 50% tot zoユn 70-85% van de gangbare trainingsomvang. Taperen blijft uiteindelijk toch een combinatie van intu付ie, geluk en natte vingerwerk. Wie te weinig tapert kan zich op de wedstrijddag nog vermoeid voelen van de zware trainingen. Taper je te veel dan zal je juist de nodige wedstrijdscherpte missen. De gulden middenweg is dus het antwoord. En die weg ligt voor iedereen weer net weer even anders.
KADER: Voorbeelden uit de praktijk
Emil Zatopek was niet de enige die per toeval het taperen ontdekte. Verhalen van atleten die wegens gedwongen of opgelegde rust zichzelf verraste met fenomenale prestaties zijn talrijk. Zo werd de legendarische Portugese hardloper Carlos Lopez vijftien dagen v覧r de start van de Olympische marathon van 1984 aangereden door een auto in zijn woonplaats Lissabon. Hij rolde over de motorkap, sloeg met zijn elleboog door de voorruit, maar kwam er zonder veel kleerscheuren vanaf. De dagen tot aan de wedstrijd kon hij echter niet of nauwelijks trainen. Vervolgens won Lopez de marathon niet alleen met overmacht, maar vestigde ook een Olympisch record dat twintig jaar bleef staan. Ook de Amerikaanse Joan Benoit, winnares van de eerste Olympische marathon bij de vrouwen in 1984, moest enkele dagen v覧r de Olympische kwalificatie in haar eigen land een knieoperatie ondergaan, waardoor ze minder kon trainen. Ze won de kwalificatiewedstrijd en schreef haar succes toe aan de opgelegde rust.
Hier greep het
noodlot in, maar sommige atleten doen het uit zichzelf goed. De Brit Roger
Banister werd in 1954 de eerste atleet die de Engelse mijl (1,6 kilometer)
onder de vier minuten wist te lopen. Na een maandenlange voorbereiding met
ijzeren discipline ging Banister uit eigen beweging v覧r de race ter
ontspanning een weekje rotsklimmen in Schotland. Hij trainde die week niet en
dook op de wedstrijddag voor het eerst in de geschiedenis onder de vier
minuten.